Op weg naar de jubileumtocht

Verschenen in de Derajeur

Het organiseren van de lustrumtocht is leuk. Het begint al met het samenstellen van de commissie. Wie kan er een goed routes uitzetten (Roel), een mooie website bouwen (Sandra), spreekt er goed Frans (Liesbeth), heeft ervaring met de organiseren van een meerdaagse (Jacques)? Zo kwam de commissie tot stand. Jammer genoeg heeft Jacques de commissie inmiddels verlaten, omdat het niet meer zo goed aansloot bij zijn overige bezigheden, maar gelukkig hebben de overige leden van de commissie partners die kunnen helpen bij een van de leukste onderdelen van het werk: het voorfietsen. Pinksteren werd uitgekozen om voor het eerst de route te gaan verkennen en Menno ging mee. Gestart werd in Wallendorf-Pont, de finishplaats van de tweede etappe. Wallendorf is een plaatsje dat deels in Luxemburg en deels in Duitsland ligt, verbonden door, inderdaad, een brug. Het hotel aldaar bleek een prettige verblijfplaats met goede wijnen en lekker eten.

Roel had het parcours op twee manieren uitgezet: met heel veel fietspaden en met heel weinig fietspaden. Roel, Sandra en ik gingen de fietspaden uittesten, terwijl Menno met de auto de overzijde van het parcours verkende en meteen even bij de wijnboer langsging van de lekkere wijn van de dag ervoor. Hij appte ons ook over een leuke koffiepauzeplek, waar we elkaar ontmoetten bij een stuk taart en daarna ging het weer verder langs de Moezel. Hoewel hele stukken leuk waren om te fietsen, werd besloten om de route wat om te gooien. Want het gaat een keer vervelen, zo’n fietspad langs de rivier (hebben we dat niet eerder meegemaakt?) Na de copieuze lunch was ik aan de beurt om de auto te verplaatsen. Dat bleek een gelukkig toeval, want meteen na de lunch was er een pittige klim. Zo pittig, dat Sandra dacht dat ze het klimmen verleerd was. Dat krijg je ervan als je denkt dat je twee A-groepers bij moet houden. Ik kan jullie geruststellen: die klim komt niet in de route. Ik was mooi op tijd in de tweede halteplaats Saint-Avold om de Giro te zien en vlak voor de finish schoven de fietsers aan.

Saint-Avold is een aardig plaatsje met maar één handicap: het hotel ligt niet in het centrum. Omdat het mooi weer was, hebben we met de fiets het centrumpje verkend en de terrassen beproefd. En goedgekeurd. Dat gold ook voor het Campanilehotel, dat over een redelijke keuken bleek te beschikken.

De volgende dag was het weer een stuk frisser en het landschap in het begin van de route typisch Noord-Frans. Maar in de loop de dag zouden ze allebei mooier worden. Sandra reed in de auto en vond een prachtig terras aan een meer met zo te zien door de Thaise eigenares zelf gebakken appel-en bosbessenschuimtaart. Vervolgens nog een stukje gefietst tot de lunch met als verrassing nog een pittige klim. Na een iets minder copieuze pizzalunch zette ik met de auto koers naar Saint-Dié les Vosges. Ik was er mooi op tijd om de Giro te zien. En alweer vlak voor de finish arriveerden de drie fietsers. Die hadden vlak na onze lunchplaats nog een mooie plek gevonden om de lunchbus te parkeren, bovenop een berg. Dus hoe meer je eet, hoe harder je fietst na de lunch.

In Saint-Dié was inmiddels de zon gearriveerd zodat we na de Giro de terrassen nog onveilig konden maken. Ook het IBIS-hotel – midden in het stadje – beviel ons goed, evenals het ontbijt. Alleen de koffiemachine was aan de trage kant, dus tijdig in de rij aansluiten is het devies.

Tweede pinksterdag was het alweer tijd om terug te gaan na een prima weekend, waarin bleek dat voorfietsen geen overbodige luxe is. Wordt vervolgd!